29 maart 2009

Tussen twee werelden

ik wou dat ik twee burgers was (dan kon ik samenleven)

en dit is mijn gedicht, komt u binnen
let niet op de galm, wees niet bang
laat ons beginnen in leegte
welkom in mijn krater van licht

ooit kwamen wij samen, u en ik, weet u nog
koel leefden wij op in de glans van een roemer
onze schaduwen als helder kristal
onze roem even terloops als de lichtval
op de brief van een windstille vrouw

goudbestoft waren wij
bleek, bijna doorschijnend van liefde waren wij
wij loken de ogen voor de ander

en wij hielden van boetedoen
vroeg iemand hoe het met ons ging
dan zeiden we naar waarheid
we schamen ons kapot, meneer
wij waren er heilig van overtuigd
dat wij ooit onze bloedeigen heer
zelf met gesels ineengeslagen
en op eigen houtje gekruisigd hadden
de apocalyps stond bij voorbaat
als straf op ons netvlies gebrand

en wat is er gebeurd in die paar eeuwen
dat wij even de andere kant opkeken?

ik wilde u graag een vaderland tonen
vormvast, zuiver en met volgehouden metaforen
een gedicht kneden over ons, maar toen ik begon
moest ik toezien hoe hier het ene volk
het andere spontaan begon te vagen
als twee onverenigbare republieken

hoe kwamen wij zo snel van nietig tot lomp
van weerschijn tot alomaanwezige schreeuwhomp?
hoe kon uit zuinige rupsen dit hummervolk opstaan?

ze zeggen: omdat god verdween - onze vader
had besloten nog wat onzichtbaarder te worden
dan hij al was, kijken of dat kon, nee dat kon niet
weg was god
en in dit stilleven met grote afwezige
stonden nu de verbijsterde nederlanden
hun monden nog vol van vergankelijkheid
vol wuftheid en alom gewaardeerd doodsverlangen

al hun ijdelheid was ijdelheid gebleken
al hun schijn, hun gekoesterde slijk, heel dit spiegelpaleis
dat men ooit voor oneindigheid hield
werd nu voorgoed onbewoonbaar verklaard
je hoorde de rijp op hun zielen kraken

en uit dat gat - daar werden wij geboren
kevin, ramsey, dunya, dagmar, roman en charity
als bij toverslag kwamen wij tevoorschijn
bungeejumpend, met oranje opblaashamers
gillend en krijsend en antidepressief
of zwijgend voor een breezer gegangbangd
welkom in nederland vakantieland

ja dat krijg je ervan, dit volk houdt men over
wanneer je de schuld uit ons lijf ramt
we vullen de holte met glimmende leegte

tussen psalmenzangers en pillenslikkers
tussen het goud en het blingbling
vond ik een land dat werd opgeheven

dit land is de wraak van de voorvaderen
als een beeldenstorm razen zij in ons voort
maar het bestaat - zoals ook het verband
tussen kinderstring en boerka bestaat
tussen karnemelk en comazuipen: hol en bol
schuiven wij onze eeuwen ineen

elkaar opheffen is onze kracht
wij streven van nature naar leegte
zoals een cycloop naar diepte snakt

ziet u, een vaderland wilde ik u tonen
niet deze woestijn van oneindige vrijheid
maar hier wonen wij, en hoe mooi zou het zijn
als iemand ooit als een tweedehands godheid
rijm voor rijm een land zou bouwen
voor dit volk dat zijn volk mist

hier, in de open kuil van onze ziel
juist hier zou iets groots kunnen worden verricht
laat ons beginnen met een gedicht

Ramsey Nasr - Dichter des vaderlands Nederland

In de vele artikelen en opiniestukken die hij voor de Nederlandse en Vlaamse media schreef, laat Nasr zich kennen als een man met vele passies. Ze bestaan uit een liefde voor kunst – klassieke muziek, toneel, poëzie – alsook een grote betrokkenheid bij de hedendaagse politiek. In het bijzonder één kwestie ligt hem na aan het hart: het Palestijns-Israëlisch conflict.

27 maart 2009

Ramallah bis

Na een introductie van een week in november 2008, ben ik momenteel eindelijk en voltijds gevestigd in Ramallah. Administraties zijn ondoorgrondelijk, dat leerde mijn vorige job me reeds. Niet voor de hand liggende politieke machtsverhoudingen en formaliteiten in de context van een militaire bezetting zijn evenzeer ondoorgrondelijk. Een combinatie van beide factoren – zonder daar dieper op in te gaan – zorgde voor de nodige Red Tape voor Ramallah. 

Desalniettemin ben ik de mensen die zich de voorbije maanden voor mij ingezet hebben – ere wie ere toekomt – eigenlijk zeer dankbaar. Een vier maanden durende omzwerving bracht me vnl. in Jeruzalem, maar gaf me evenzeer de mogelijkheid om te acclimatiseren en tussendoor nog even een snuifje van de regio (lees: Egypte en Jordanië) mee te pikken. In dat opzicht was mijn verblijf in Jeruzalem, waar ik meedraaide op het hoofdkantoor van BTC Palestina, een interessante introductie tot de regio en al de spanningen die daarmee gepaard gingen. Zeker in het licht van de recente oorlog in Gaza, kreeg ik een vuurdoop om U tegen te zeggen. Nu is het stof gaan liggen, zijn de doden begraven en zwijgen de wapens langs beide zijden (voorlopig?) terug. Nu ja, zwijgen is relatief, ik hoor de F16s en Qassams in de verte nog fluisteren, maar feit is dat aan beide zijden de wonden gelikt worden en de balans wordt opgemaakt. Desalniettemin ploegt de Palestijnse boer voort; de wereld blijft niet stilstaan, het leven herneemt zich, en ook de vele gewetensvolle betogers in België hebben hun dagelijkse sleur hernomen en slapen ’s nachts terug goed (vermoed ik?). 

Welkom in Palestina! Een land waar je soms niet weet of je moet lachen of huilen. Laat je doordringen door de tragiek van de situatie, maar kijk niet enkel daar naar. Palestina is zoveel meer dan een onderdrukt volk dat onder een pijnlijke bezetting leeft. Palestina is evenzeer het verhaal van warme mensen. Trotse mensen die al verscheidene generaties lang getoond hebben en nog steeds tonen hoe veerkrachtig de menselijke ziel wel niet is (of kan en moet zijn). Een inventief volk dat ondanks alles weet wat ware gastvrijheid betekent en het hart op de goede plaats draagt. Neen, beste vriend(in), Palestijn is niet gelijk aan fundamentalist en zeker niet aan terrorist. Verre van. Eerder het omgekeerde. Ondanks alles wat het Palestijnse volk door de jaren heen reeds heeft moeten doorstaan en ondergaan, is het mijn plicht er jullie op te wijzen – in eer en geweten – dat de Palestijnen niet doordrenkt zijn van haat. Hoewel een gevoel van wanhoop en uitzichtloosheid onmiskenbaar leeft onder de Palestijnen, zijn de directe uitingen van haat en verwensing jegens de Israëlische bezetter opvallend afwezig. Chapeau. Of ik zo verdraagzaam zou zijn? Wie weet. Neen, beste vriend(in), zet je televisie af, knipper drie maal met je ogen en schaaf je wereldbeeld bij. Niet iedere Palestijn is een messendragende zelfmoordterrorist. Niet achter iedere hoek schuilt een duister figuur met snor die je wil overvallen en/of ontvoeren en uit is op (los)geld. Laat varen die clichés! Welkom in Palestina! Welkom in Ramallah!

07 februari 2009

Mea culpa

“In het leven van zowel individuen als volken breken de ergste conflicten vaak uit tussen twee vervolgden. Het is niet meer dan een vrome wens dat de vervolgden en de onderdrukten zich altijd verenigen in solidariteit en als één man naar de barricaden marcheren om gezamenlijk te strijden tegen hun wrede onderdrukker. In werkelijkheid worden twee kinderen van een mishandelende vader niet noodzakelijkerwijs bondgenoten, en hun gedeelde lot brengt hen niet altijd nader tot elkaar. Vaak ziet de een in de ander geen lotgenoot, maar juist het evenbeeld van hun gemeenschappelijke onderdrukker.Misschien is dit ook wat er sinds honderd jaar aan de hand is tussen Arabieren en Joden. Het Europa dat de Arabieren heeft mishandeld, vernederd en onderdrukt door imperialisme, kolonialisme en uitbuiting, is hetzelfde Europa dat de Joden onderdrukt en vervolgd heeft, en uiteindelijk de Duitsers heeft toegestaan of geholpen hen uit alle hoeken van het continent te verdrijven en hen bijna allemaal te vermoorden. De Arabieren beschouwen ons (nvdr. de Joden) echter niet als een handjevol half hysterische vluchtelingen, maar als een nieuwe, arrogante loot van het koloniale Europa, met zijn moderne technologie en zijn uitbuiting, dat op sluwe wijze teruggekeerd is naar het Midden-Oosten – ditmaal in zionistische vermomming – om hen opnieuw uit te buiten en te verdrijven en te onderdrukken. Terwijl wij in hen evenmin slachtoffers zien zoals wijzelf, geen broeders in het ongeluk, maar kozakken die pogroms houden, bloeddorstige antisemieten, nazi’s in vermomming: alsof onze Europese vervolgers hier in het Land Israël weer zijn opgedoken, een kafia op hun hoofd hebben gezet en hun snor hebben laten staan, maar onze zelfde oude moordenaars zijn, die alleen maar geïnteresseerd zijn in het doorsnijden van de keel van de Joden, gewoon voor de grap.” Dit zijn niet mijn woorden, maar woorden uit het boek ‘Een verhaal van liefde en duisternis’ van Amos Oz, een gelauwerd Israëlisch auteur die opgroeide in Jeruzalem en er als kind het ontstaan van de staat Israël persoonlijk meemaakte.

 

Eind november 1947 stemde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over een resolutie van de United Nations Special Commission on Palestine (UNSCOP). Palestina was op dat moment een Brits mandaatgebied, maar in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog liepen de spanningen er hoog op. Het toenmalige Palestina zag een grote (illegale) toeloop van vooral Europese Joden die op de dool waren geraakt tijdens de gruwelijke genocide die de Duitsers en hun bondgenoten slecht enkele jaren daarvoor met dodelijke efficiëntie op het Joodse volk hadden uitgevoerd. De Britse autoriteiten probeerden de toestroom te controleren en te beperken door vluchtelingenkampen op te richten in o.a. Cyprus. Tegelijkertijd werd de Joodse roep om een eigen staat alsmaar luider. De Joden in Palestina begonnen zich te organiseren en ondergrondse Joodse organisaties als Hagana begonnen zich gewelddadig te verzetten tegen wat zij zagen als de onrechtmatige Britse bezetter. Terroristische aanslagen en gewelddadigheden tegen de Britse belangen kwamen steeds vaker voor (oh ironie der historie). Nooit eerder in de geschiedenis van het Joodse volk was de zionistische droom van een eigen Joodse staat dichter binnen handbereik. Aan de andere kant zagen de Arabieren in Palestina de bui hangen. In de aanloop naar de stemming omtrent het plan van UNSCOP – dat voorzag in de oprichting van zowel en Joodse als een Arabische staat, met Jeruzalem als internationaal bestuurde stad – vlogen verwijten en dreigementen tussen beide bevolkingsgroepen heen en weer. De Joden vreesden bij de goedkeuring van het plan een tweede Shoah (ter vergelding door de Arabieren), nota bene slechts twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. De Arabieren vreesden bij goedkeuring van het plan het land dat zij reeds eeuwen lang bewoonden en bewerkten te verliezen. De spanning was te snijden. Op 29 november 1947 kwamen de lidstaten van de Algemene Vergadering van de VN samen bij Lake Success in New York. Op de agenda stond de stemming over het UNSCOP plan. Een tweederde meerderheid was nodig om het plan goed te keuren. De uitslag van de stemming was als volgt: 33 stemmen voor, 13 tegen, 10 onthoudingen en één lidstaat afwezig. Het plan was aangenomen en de grondslag voor de staat Israël was gelegd. Een paar uren later braken de eerste ongeregeldheden uit. De Arabische staten in de regio zouden er de daaropvolgende maanden alles aan doen de embryo van de Joodse staat te fnuiken.

 

Hoewel de bevalling bijna een half jaar duurde en niets dan complicaties kende, was de Joodse staat niettemin geboren. En dit uit het bloed van zowel Joden als Arabieren. Zoals later uit de loop der geschiedenis zou blijken, zou de baby niet zonder problemen opgroeien. Het kind kende een harde jeugd en zou veel ellende moeten doorstaan. Omdat het kind te vondeling gelegd was en in een gemeenschap opgroeide waar het nooit echt aanvaard werd, kende het nooit veel liefde. Naarmate het een tiener en later een twintiger werd, groeide het eenzame kind langzaam op tot een sterke en pientere volwassene. Hoewel het de beste van zijn klas was, werd het kind vaak gepest op school. Het had er geen echte vrienden en zat daarom vaak moederziel alleen in een hoekje op de speelplaats op zijn eentje te spelen. Het gebrek aan liefde en geborgenheid, het ontbreken van de zorgen en liefkozingen van een liefdevolle moeder en een trotse vader, had echter diepe littekens nagelaten. Hoewel het kind als volwassene niets ontbrak, het een succesvolle carrière uitbouwde, een zakenimperium uitbouwde en veel rijkdom verwierf, mistte het toch iets. Neen, het ontbrak hem niet aan vrouwelijke aandacht. Hij had geld genoeg. Toch had hij het gevoel dat hij nog iets miste. Geen enkele vrouw kon hem het gevoel geven dat hij echt gewild was. Zijn ongelukkige jeugd had het kind hard gemaakt. Nadat hij scheidde van zijn derde vrouw, die quasi zijn hele fortuin met haar meenam, bleef de zakenman als 60-jarige, verzuurde en gefrustreerde man alleen en ongelukkig achter in zijn villa in Jeruzalem. Pas toen drong het besef tot hem door: hij mistte niks, helemaal niks, hij had enkele en alleen nooit leren geven. Niemand had hem ooit geleerd hoe hij liefde kon geven…

16 januari 2009

Gaza

In hoeverre kan en mag je je eigen verleden gebruiken om wat je in het heden doet te vergoelijken? In hoeverre kan en mag je je eigen volk beschermen tegen een partij die openlijk tot de vernietiging van je land oproept? In hoeverre kan en mag je geweld gebruiken tegen eenieder die van dichtbij of zijdelings bij deze partij betrokken is? In hoeverre mag je je verzetten tegen een macht die je volledig van de buitenwereld afsnijdt en je economisch wurgt? In hoeverre is ‘collateral damage’ gerechtvaardigd als je weet dat de meeste burgers enkel en alleen zoeken naar en hopen op een beter leven? In hoeverre is het moreel te verantwoorden een grootschalig militair offensief op te starten in een stad en een strook land waarin de bevolkingsdichtheid tot de hoogste van de wereld behoort? In hoeverre is zulk een offensief te verantwoorden als je weet dat ca. 50% van de inwoners er 18 jaar of jonger is? In hoeverre dient de internationale gemeenschap mea culpa te slaan als je weet dat een lidstaat van de VN – een lidstaat die haar bestaan feitelijk zelfs mede aan de VN te danken heeft – sinds jaar en dag elke resolutie van de VN Veiligheidsraad zonder gevolg naast zich neerlegt? In hoeverre kan een land ziekenhuizen, voedselopslagplaatsen en scholen bestoken zonder dat er – op woorden na – geen enkele sanctie op volgt. In hoeverre is het te verdedigen dat zulk een land een preferentiële behandeling krijgt in zijn handelsrelaties met de Europese Unie? In hoeverre is het de taak van de internationale gemeenschap om zodra de oorlog voorbij is het puin te ruimen en de streek te ontmijnen?


Hoelang zal het duren voor de aantallen in de betogingen beginnen af te nemen en de wereld zijn gewone gangetje zal hervatten? Hoelang zal het duren alvorens het terug ‘business as usual’ is voor de meeste landen? Hoelang zullen de Verenigde Staten Israël onvoorwaardelijk blijven steunen? Hoelang zal het volgende staakt-het-vuren standhouden? Hoelang nog zullen de settlements zich bijven uitbreiden? Hoelang nog kan je in de media het ene zeggen, maar op de grond het tegenovergestelde doen? Hoelang nog kan één volk een ander volk onderdrukken dat geen partij is tegen zijn enorme militaire apparaat? Hoelang kan je een bezetting verdragen zonder wanhopig te worden? Hoelang nog zullen er Palestijnen rondlopen in Oost-Jeruzalem?


Hoeveel mensenlevens dienen er nog opgeofferd te worden voordat men eindelijk zal inzien dat oog om oog, tand om tand de hele wereld blind zal maken? Hoeveel Palestijnse huizen zullen er in 2009 afgebroken worden? En hoeveel raketten zullen er afgeschoten worden op Israël? Hoeveel doden zullen er op de Westbank vallen waarvoor niemand ooit zal betogen? Hoeveel kinderen moeten er sterven voordat een aanval ‘proportioneel’ is? Hoeveel is een mensenleven waard en is een Israëlisch leven meer waard dan een Palestijns leven? Hoeveel menselijkheid is er eigenlijk nog in deze regio? Hoeveel kan een mens eigenlijk verdragen?


Veel, heel veel.

28 december 2008

Het Beloofde Land

Ondertussen woon ik al ongeveer een maand in Jeruzalem. Langzaam maar zeker begin ik een beetje grip te krijgen op het land, de stad en haar mensen. Israël anno 2009 is opgebouwd uit scheidingslijnen. Alles wordt hier opgedeeld in vakjes. Op geografisch vlak spreekt men van Oost- en West-Jeruzalem; of van de ‘Groene Lijn’ (i.e. de bestandslijn na de oorlog van 1967). In de Oude Stad kan men je tot op het huis nauwkeurig zeggen of het gelegen is in de Joodse, Armeense, Christelijke of Moslim wijk. De Westelijke Jordaanoever is, al naargelang de bevoegdheidsverdeling tussen de Israëli’s en de Palestijnen, opgedeeld in een A, B en een C zone.


Midden in de niet-Joodse wijken van Jeruzalem zie je hier en daar een Israëlische vlag. Geen klein, bescheiden papieren vlaggetje achter het raam, maar verschillende vlaggen met een blauwe Davidster zoals je die enkel bij het stadhuis zou verwachten, of bij officiële regeringsgebouwen. Met dit vertoon trachten zionistische Joden je duidelijk te maken dat je in hun Israël bent. Niet Israël zoals jij je dat voorstelt, als een gecontesteerd land aan de Middellandse Zee, waar altijd wel wat spanning heerst. Neen, je bent hier in hun Israël, het land waar de Joden reeds duizenden jaren geleden woonden, het land van David en Salomon. Het land waarvan de Joden verdreven werden. Het beloofde land waarop de Joden – en enkel de Joden – volgens het Bijbelse woord aanspraak kunnen maken. Het land waarnaar de Joden terugkeerden. Die vlag met blauwe Davidster, trots wapperend en in vol ornaat hangend boven de voordeur, aan het raam of op het dak van een Joods huis is niet dezelfde vlag als degene die occasioneel in België – op de nationale feestdag, wanneer de Belgische voetbalploeg heeft gewonnen of zelfs na het overlijden van de koning – wappert. Neen, de Israëlische vlag die wappert aan de ingang van een huis in de Oude Stad, in een Palestijns dorp in Oost-Jeruzalem of in een settlement op de Westbank, is niet enkel een vlag die uiting geeft aan de liefde voor het vaderland, maar het is een vlag die provoceert. Het is een vlag die aan eenieder die er voorbij flaneert wil zeggen: “Weet dat je hier op Joods grondgebied bent. Ongeacht of iedereen die hier woont moslim of christen is, weet dat deze grond rechtmatig toekomt aan het uitverkoren volk, het Joodse volk. En besef ook dat alle middelen gerechtvaardigd zijn om Israël te verenigen, want Israël is één en ondeelbaar; en Judea en Samaria maken daar ontegensprekelijk deel van uit.” Elke Israëlische vlag die je in bezet gebied ziet is er m.a.w. één die de inwoners met de neus op de feiten drukt. Elke dorp, elk huis, elk lapje grond dat in Joodse handen is, is – ongeacht hoe men het bekomen heeft en ongeacht het lijden dat dit veroorzaakt heeft – historisch volledig gerechtvaardigd en te verantwoorden. Elk Joods huis in dit land werd gebouwd of ingenomen met een missie, nl. het vestigen van de staat Israël; en dit van de Middellandse Zee tot aan de Jordaan. Eén grondgebied, één Israël.


Natuurlijk is het voorgaande een karikatuur. Niet iedere Israëliër, niet iedere Jood is een even fervent voorvechter van de staat Israël. Sommigen onder hen zijn zelfs bereid pijnlijke toegevingen te doen aan de Palestijnen om voor eens en voor altijd tot vrede te komen. Dit neemt echter niet weg dat bovenstaande ideeën voor vele tienduizenden Joden – die zich al dan niet om religieuze redenen in bezet gebied vestigen – zeer reëel zijn. Vele duizenden Joodse kinderen krijgen dagelijks te horen waarom zij – en enkel zij – recht hebben op het huis en de grond van hun Palestijnse buur. Vele duizenden Joodse kinderen worden daarom dagelijks aangemoedigd om – ter eer en glorie van Israël – tot het uiterste te gaan.

20 december 2008

Red tape in Ramallah

Een kleine week zou ik in Ramallah blijven. Op bevel van BTC Brussel mag ik ’s avonds – om veiligheidsredenen – mijn hotel niet verlaten. Ik beloof binnen een straal van 100 meter van het hotel te blijven. Een mens moet toch ook eten, niet? Echter, ook binnen een straal van 100 meter kan je sfeer opsnuiven. Zelfs rond een uur of tien ’s avonds heb ik op geen enkel moment het gevoel dat het in Ramallah onveilig is. In Jeruzalem heb ik op één dag meer wapens op straat gezien dan in de paar dagen dat ik Ramallah was. Ben ik zo naïef dan? In het restaurant waar ze lokale specialiteiten serveren is het rustig. Vriendelijk personeel. Een aantal tafels verder zit een familie wat te eten. De kinderen spelen tussen al de tafels en amuseren zich kostelijk. Als ze voorbij gehost komen lachen ze verlegen naar me. Ik lach terug. Hier en daar loopt er iemand over straat. De mensen kijken zelfs niet naar me om. Ik ben dan ook niet de eerste Westerling die ze hier zien. Ramallah herbergt een bont gezelschap aan internationals van alle mogelijke landen en organisaties. Ramallah is de onofficiële hoofdstad van Palestina. Alle belangrijke diensten van de Palestijnse Autoriteit zijn hier gevestigd sinds ze door de Israëli’s werden verdreven uit Oost-Jeruzalem. Vele landen die banden onderhouden met de Palestinian Liberation Organization (PLO) hebben hier ook hun officieuze ambassades (ze noemen dat dan vertegenwoordigingen of consulaten; een ambassade kan je enkel hebben in een land dat effectief als soevereine en onafhankelijke staat erkend werd). De oudere landen – zoals België – hebben hun consulaten over het algemeen nog in Jeruzalem. Deze landen hadden dan ook al een vertegenwoordiging in Jeruzalem nog voor de staat Israël het daglicht zag (na de Tweede Wereldoorlog).


Overdag breng ik mijn tijd door op het kantoor van het ‘Local Infrastructure and Capacity Building Project’ (LICP). Normaalgezien zal ik hier de komende maanden meedraaien als ‘junior-assistant capacity building’. Een ronkende titel (daar houden internationals over het algemeen wel van) die inhoudt dat ik zal meehelpen in de opbouw van de kennis en de kunnende van vnl. lokale besturen. Door de economische, politieke en militaire houdgreep van de Israëlische bezetter is goed besturen hier verre van evident. Zeker voor kleine dorpen en gemeenten zonder constante bron van inkomsten. Professionele financiële- en bestuurstechnieken die in het Westen over het algemeen onder de term ‘goed bestuur’ vallen, worden hier vaak – om uiteenlopende redenen – niet toegepast. Via allerhande workshops (over heel diverse onderwerpen als accountancy, management, vrouwenrechten, etc.) tracht LICP zoveel mogelijk bestuurders te bereiken en in de mate van het mogelijke enige kennis hieromtrent mee te geven. Dat is natuurlijk maar een klein aspect van het hele LICP project. En een nog kleiner deeltje van het gamma aan activiteiten van BTC. En BTC is op zijn buurt een radertje in het geheel van organisaties die op één of andere manier meewerken aan de ondersteuning van de Palestijnse staat, het Palestijnse middenveld en de bevolking. Relativeringsvermogen is in Palestina altijd nuttig. In alle mogelijke contexten. Hoewel – eerlijk gezegd – de werkelijkheid in Palestina je vermogen tot relativeren hier vaak op de proef stelt en bij wijlen en tijd ongetwijfeld inhaalt.


Zondagochtend heeft Luc goed en slecht nieuws voor me. Het goede nieuws is dat mijn contract getekend werd. Er is brood op de plank. Het slechte nieuws is dat ik voorlopig niet terug naar Ramallah mag. Om veiligheidsredenen wil BTC Brussel dat ik in Jeruzalem blijf totdat mijn papieren – officieel moet je een werkvisum hebben van de Israëli’s – in orde zijn. Net zoals de bouwvergunningen voor Palestijnen slechts zelden worden toegekend, is het bekomen van een werkvisum in Israël zeker niet evident. Personen die op één of andere manier meewerken aan de opbouw van de Palestijnse maatschappij zijn bij voorbaat verdacht. Het bekomen van een werkvisum is daarom zeker niet enkel een administratieve formaliteit. Bij gebrek aan beter werken vele internationals in Palestina dan ook met een simpel toeristenvisum van drie of zes maanden in hun paspoort. Alles is politiek in Israël en de politiek zit in alles. Jerusalem it is.



14 december 2008

De Hoogte van God

Een paar uur later zou ik kennismaken met de – voornamelijk jonge – mensen die werken op het hoofdkantoor van de Belgisch Technische Coöperatie (BTC) in Jeruzalem. Even uitgedost als bij de grenscontrole – men zegt immers toch dat de eerste indruk de belangrijkste is – en met een doos Belgische chocolade in de hand, stelde Luc Laloo, de Permanent Vertegenwoordiger (al wordt hij niet graag zo genoemd), mij voor aan het voor de rest overigens volledig Palestijnse team. Drie niet onaardige dames (Maram, Joline en Suzy) en twee heren (Marwan en de chauffeur Naïm). Veel tijd voor koetjes en kalfjes was er echter niet. Na een bondige veiligheidsbriefing werd de tocht naar Ramallah – Arabisch voor de Hoogte van God – aangevat.


Pas nu begon het besef tot me door te dringen dat ik feitelijk sinds de vorige nacht in bezet gebied was. De bezetting van Oost-Jeruzalem door Israël, net zoals de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, wordt internationaalrechtelijk immers niet erkend. Voor het volkenrecht wordt Israël daarom dan ook beschouwd als een bezettingsmacht, een juridisch etiket waaraan bepaalde duidelijk omschreven verplichtingen vasthangen (Conventie van Genève). De Israëli’s zien de zaken – zoals dat meestal wel het geval is in zulke situaties – natuurlijk even iets anders.




Onderweg naar Ramallah werd het conflict tussen Israël en de Palestijnen plots wel zeer concreet. Na een eerste flying checkpoint – een soort politiepost die om het even welke wagen kan tegenhouden en controleren – gepasseerd te zijn, verlieten we de hoofdweg en sloegen een schijnbaar klein zijweggetje in. Dit weggetje leidde naar het Qalandiya checkpoint, een groot checkpoint dat de beweging van mensen en goederen van en naar Ramallah controleert. Naarmate we verder doordrongen in bezet gebied, veranderde de aanschijn van het landschap. Hier werden de wegen niet langer goed onderhouden. Overal lag er vuilnis en rommel. De wagens reden hier bovendien zo ongeveer waar het hun beliefde. Van achteruitkijkspiegels had men nog nooit gehoord. Het geheel liet een chaotische, misschien zelfs ietwat grimmige indruk na.


Uit het niets doemde plots dé muur op. De beklijvende apotheose van het toneelstuk dat we zonet doorkuist hadden. Dé muur: een betonnen gedrocht dat ver boven de wagens, huizen en mensen uittorende. Misschien wel tien meter hoog? Drie keer zo hoog als de Berlijnse muur werd me verteld. In ieder geval hoog genoeg om je te intimideren en je klein te doen voelen. Zo moet David zich dus gevoeld hebben toen hij tegenover Goliath stond. Op dit stuk van de muur – die ondertussen al meer dan 400 kilometer lang is en iedere dag nog langer wordt – had men prikkeldraad geplaatst. Niet gewoon een stukje prikkeldraad, maar prikkeldraad zoals je die enkel op de muren van de beste gevangenissen kan vinden (in dit geval is de vergelijking met een gevangenis zeker niet overdreven of vergezocht). Prikkeldraad bevestigd op een soort van horizontale structuur – het leek een beetje op een droogrek – vlak onder de top van de muur. Zodat je er zeker niet over zou kunnen kruipen, als je het al in je hoofd zou halen om een poging te wagen. Of de draad effectief geëlektrificeerd is, daar ben ik nog altijd niet uit. Sommigen zeggen van wel. Eigenlijk doet het er zelfs niet eens toe. Het psychologische effect speelde ongetwijfeld ook een rol. Misschien was dat wel de bedoeling?



Na een aantal kilometers de her en der met graffiti versierde afscheidingsmuur gevolgd te hebben, naderen we Qalandiya. Er hangt duidelijk een bepaalde spanning in de lucht. Het wordt stiller in de wagen. Heeft iedereen zijn paspoort bij? Uit het niets doemt een constructie op die je misschien nog het best kan vergelijken met een ‘payage’ op de Franse autosnelwegen: verschillende tolhuisjes waar de voertuigen vertragen en men de documenten van de passanten controleert. Met het verschil dat je hier gecontroleerd wordt door twee tot de tanden gewapende Israëlische soldaten en er in het wegdek weerhaken zijn aangebracht die de banden van je wagen in stukken zullen rijten, moest je het checkpoint met plankgas proberen te passeren. Je komt er hier ook niet van af door simpelweg je magnetische tolkaartje af te geven en het bedrag te vereffenen. De identiteitscontrole is grondig, zeker als je Palestijn bent. Een internationaal paspoort en een Europese ogende kop kunnen wonderen doen. De juiste papieren hebben is zeker voor de Palestijnen niet evident; het complexe systeem van vergunningen verre van doorzichtig. Hier betaal je ook tol, maar dan wel van een heel andere orde van grootte… Het binnenrijden van de Westbank – zo vertelde men mij toch – vormt op zich haast nooit een probleem, het terugkomen is ooit iets anders. Een consulaire nummerplaat op de wagen hebben, zal daar allicht ook niet vreemd aan zijn, dacht ik zo in mijn eigen. We konden inderdaad vlot en zonder oponthoud Qalandiya passeren. De Hoogte van God dook voor me op. En die God, of Allah, kunnen ze hier goed gebruiken. Al is hij niet altijd even barmhartig en niet altijd even rechtvaardig voor iedereen.